Hoofdletters

Categorie: Taal & spelling Laatst bijgewerkt: maandag 17 april 2017

Welkom op de pagina over hoofdletters!

Bovenaan deze pagina staat een uitleg over het gebruik van hoofdletters. Daaronder vind je oefeningen met afkortingen. We raden je aan om eerst de uitleg door te lezen en daarna te gaan oefenen. Als je het al snapt kun je ook direct gaan oefenen.

Banner hoofdletters

 

UITLEG:

Hoofdletters gebruik je om een tekst beter leesbaar te maken. Weet jij wanneer je een hoofdletters gebruikt en wanneer niet? Hieronder vind je de belangrijkste regels.

 

  • Een nieuwe zin begin je met een hoofdletter. Als de zin begint met een apostrof (een hoge komma) schrijf je het tweede woord met een hoofdletter. Voorbeelden:
    • Ik ga vandaag naar school.
    • Mijn oma belde vanmiddag.
    • 's Morgens ga ik altijd douchen.
    • 's Avonds kijk ik meestal televisie.
  • Als de zin begint met een cijfer of symbool schrijf je het tweede woord NIET met een hoofdletter.
    • 80 jaar geleden is mijn opa geboren.
    • 1998 is het geboortejaar van mijn zus.

 

  • Namen van onder andere personen, plaatsen, landen, straten, provincies, gebergtes en rivieren begin je met een hoofdletter. In een achternaam zit soms een woord als 'de', 'van' of 'van den': een tussenvoegsel. Na een voornaam of voorletter schrijf je tussenvoegsels NIET met een hoofdletter. Als er geen voornaam of voorletter staat schrijf je tussenvoegsels wel met een hoofdletter. Voorbeelden:
    • Peter woont in Amsterdam.
    • Karin is Rotterdammer.
    • Jan de Vries fietst iedere week van Amsterdam naar Hilversum.
    • De buren van mijn opa en oma heten De Bruin.
    • Karin van der Veen is een nicht van Suzanne de Boer.
    • Het Nederlandse bedrijf wil een vestiging openen in België.
    • Wij gaan deze zomer op vakantie naar Frankrijk.
    • Klaas woont aan Waterweg 3 in Utrecht.
    • De Maas komt in de provincie Limburg ons land binnen.
    • De Mount Everest is de hoogste berg ter wereld.

 

  • Dagen, maanden, windstreken, jaargetijden en woorden uit een tijdperk (zoals de middeleeuwen) worden NIET met een hoofdletter geschreven. Voorbeelden:
    • Volgende week zaterdag gaan we naar een pretpark.
    • In december sneeuwt het vaker dan in november.
    • In het zuiden van Nederland is het heuvelachtig.
    • Na de lente komt de zomer.
    • De middeleeuwen waren lang geleden.

 

  • Afkortingen schrijf je soms met een hoofdletter en soms met een kleine letter. Kijk voor meer informatie op onze pagina over afkortingen. Voorbeelden:
    • Wij vliegen met de KLM naar onze vakantiebestemming.
    • De wedstrijd tegen PSV eindigde met een stand van 1-1.
    • Mijn oom en tante wonen in de VS.
    • Het IQ zegt iets over hoe slim iemand is.
    • Deze pc is van mijn broer, maar ik mag hem wel gebruiken.
    • Ik luister naar de muziek die op de cd staat.
    • De autosnelweg is 170 km lang.

 

  • Heilige begrippen en woorden die met God te maken hebben worden met een hoofdletter geschreven. Ook volken (zoals Joden) en heilige geschriften (zoals Bijbel) worden met een hoofdletter geschreven. Voorbeelden:
    • In zes dagen schiep God de hemel en de aarde en op de zevende dag rustte hij.
    • De zoon van God heet Jezus.
    • Ik geloof in God.
    • De Bijbel lag op de preekstoel.
  • Samenstellingen die niet direct met God te maken hebben en namen van geloofsovertuigingen worden NIET met een hoofdletter geschreven. Voorbeelden:
    • Onze buren zijn rooms-katholiek.
    • Ben is christelijk.

 

  • Als je een woord dat begint met ij met een hoofdletter moet schrijven, schrijf je IJ en niet Ij (dus: IJsje en niet Ijsje). Voorbeeld:
    • IJsjes zijn heel lekker.
    • Simone woont in IJmuiden.

 

  • Bij merken of bedrijven gebruik je meestal wel hoofdletters. Soms gebruik je geen hoofdletters. Dit ligt eraan of een bedrijf hier wel of niet voor gekozen heeft. Voorbeelden:
    • Ik lees nu een artikel over hoofdletters op Oefenplein.
    • Nederland is een lidstaat van de Europese Unie.

 

OEFENINGEN:

De makkelijkste oefeningen staan bovenaan deze pagina. De moeilijkste oefeningen staan onderaan deze pagina. Bij elke oefening staat voor welke groep deze bedoeld is.

 

 Moeten de dikgedrukte woorden met een hoofdletter of niet?

Uitleg: Er zijn 10 zinnen met in elke zin 2 dikgedrukte woorden. Typ de woorden die met een hoofdletter moeten worden geschreven in de eerste kolom en woorden die met een kleine letter moeten worden geschreven in de tweede kolom. Als het woord goed is verdwijnt het tekstvak en kun je het woord niet meer veranderen. Let op! Typ de woorden in de goede volgorde.

 

Typ de zinnen over en plaats hoofdletters waar dat nodig is.

Uitleg: Typ de 7 zinnen over en plaats hoofdletters waar dat nodig is. Denk eraan om ook de leestekens over te typen! Als de zin goed is verdwijnt het tekstvak en kun je de zin niet meer veranderen.

 

Je moet hoofdletters plaatsen in de tekst.

Uitleg: Klik op de letters die een hoofdletter moeten worden. Typ daarna in het vak dat verschijnt de hoofdletter in en klik op [controleer]. Klik je op een letter die geen hoofdletter moet worden dan verschijnt de tekst: "Deze letter moet niet met een hoofdletter worden geschreven!"

 

5 zinnen waarin je hoofdletters moet plaatsen. 

Uitleg: In de oefening staan 5 zinnen. Kopieer die zinnen naar het witte vak en plaats hoofdletters op de plekken waar dat moet. Als je klaar bent klik je op [controleer].

 

  • TIP! Zoek de fout (vooral bedoeld voor groep 7 en groep 8)

Klik in iedere zin op het woord dat niet geschreven is, omdat het een hoofdletter moet hebben of juist niet. 

Uitleg: Klik rechts onderin op [==>] en klik daarna telkens op de zin die niet goed is.

 

Kies de goede spelling van de woorden.

Uitleg: Kies telkens uit 2 of 3 antwoordmogelijkheden welke van de zinnen/woorden goed gespeld is. Je krijgt daarna te zien of het goed of fout is. Klik op [OK]. Met [=>] ga je naar de volgende vraag.

 

Vragen, tips en opmerkingen horen we graag! Neem contact met ons op of laat hieronder een reactie achter.

Hits: 27674