Welkom op de pagina over het Weer!

In het Frans kun je vragen wat voor weer het is, dat doe je zo:

Il fait quel tempes? of Quel temps fait-il? = Wat voor weer is het?

 

In het Frans kun je vertellen wat voor weer het is, dat doe je zo:

Il fait chaud. = Het is warm.

Il fait beau. = Het is mooi weer.

Il fait froid. = Het is koud.

Il fait mauvais. = Het is slecht weer.

Il fait du soleil. = Het is zonnig.

Il fait du vent. = Het waait.

Il fait 20 degrés. = Het is 20 graden.

Il ait du brouillard. = Het mist.

 

Als je in het Frans over het weer praat gebruik je meestal het werkwoord faire.

Dit werkwoord gebruik je niet alleen om te zeggen wat voor weer het is, maar ook om te vertellen wat voor weer het wordt en wat voor weer het geweest is:

  • Il va faire beau. = Het wordt mooi weer.
  • Il va faire froid. = Het wordt koud.
  • Il a fait chaud. = Het is warm geweest.
  • Il a fait du vent. = Het heeft gewaaid.

 

Regenen (extra):

Pleuvoir. = Regenen.

Il pleut. = Het regent.

Il va pleuvoir. = Het gaat regenen.

 

Sneeuwen (extra):

Neiger. = Sneeuwen.

Il neige. = Het sneeuwt.

Il a neigé. = Het heeft gesneeuwd.

Il va neiger. = Het gaat sneeuwen.

 

Vriezen (extra):

Geler. = Vriezen.

Il gèle. = Het vriest.

Il a gelé. = Het heeft gevroren.

Il va geler. = Het gaat vriezen.